Oh die bal!

In Indonesië worden ze verkocht zonder krenten en rozijnen als odibal. Er is mij verteld door een ouder Indisch vrouwtje dat deze benaming nog uit de tijd van de Nederlanders stamt: Oh die bal! 
Ik woon nu vlakbij de oliebollenkraam van Richard Visser, dé kraam van Rotterdam. Jaar na jaar wint deze man de prijs voor de beste bol. Een paar ballen halen op oudjaarsdag is een kleine moeite dus.
De wekker staat om kwart over zes. Met een kleine ochtendwandeling in de benen kom ik iets na zeven uur aan bij de hoek Vierambachtstraat, Heemraadssingel. Een kleine tachtig mensen waren er eerder dan ik. De oliebollenhalers zijn een mix van Rotterdammers bij elkaar. Hooggeblondeerd, Hindoestaans, moeders, studenten, alles.
Sommigen komen aan met een mok koffie, een slimme ondernemer is zo uitgekookt om een bakkie pleur te verkopen uit zijn oude stationwagen.
Een Harry met een Audi A8 zet zijn wagen lekker op de stoep en stapt uit met een versgerolde joint.
De dame achter mij in de rij laat met een Rotterdams accent de zin: ‘Nou, gelukkig is het niet koud, ik heb hier ook wel eens met -2 gestaan’ vallen. Als ik als enige om kijk en haar beleefd toelach, krijg ik alle cliché’s over me heen. ‘Geen onvertogen woord hier, hoor! We staan hier allemaal voor het zelfde, toch?’ And so on.
Een jonge moeder heeft haar spruit van één jaar bij zich, die toch al wakker was toen zij de deur uit wilde gaan. Een slecht idee. De kleine vindt de oliebollentrip minder geslaagd en blèrt de hele buurt een kwartier lang bij elkaar, totdat een oudere man de wanhopige moeder aanbiedt met de kinderwagen te gaan wandelen.
‘O kijk nou, een echte opa!’ kirt de ervaringsdeskundige achter me.
Precies om acht uur stap ik mijn huis weer binnen. De was is net klaar. Op Facebook vraagt een vriend waarom ik ze niet zelf bak. Omdat ik hier stiekem van hou. Volgend jaar neem ik ook een thermobeker met koffie mee.